Eén misverstand, één fout geplaatste kolenwagen. Dat was op 8 augustus 1956 het begin van de grootste mijnramp uit de Belgische geschiedenis. In Le Bois du Cazier, een steenkoolmijn in Marcinelle bij Charleroi, lieten die dag 262 kompels het leven. Precies zeventig jaar later herdenkt België de slachtoffers – overwegend Italiaanse gastarbeiders die hier hun toekomst kwamen opbouwen.
De ramp begon op een woensdagochtend met een fatale vergissing tussen mijnwerkers op verschillende verdiepingen. Een kolenwagen werd verkeerd in de liftkooi gezet, met een dodelijk domino-effect tot gevolg. De liftkooi trok de elektrische kabels door, er brak brand uit en het vuur en koolmonoxide verspreidden zich razendsnel door de ondergrondse gangen. Ontsnappen was vrijwel onmogelijk. Een uitgebreide reconstructie van vrtnws.be legt die kettingreactie van menselijke fouten en technisch falen bloot.
Van alle mijnwerkers die die ochtend waren afgedaald, overleefden er slechts dertien. Reddingswerkers konden pas twee weken later tot de diepste punten doordringen. Wat ze daar aantroffen, staat in het collectieve geheugen gegrift. Ze keerden terug met de hartverscheurende boodschap: "Sono tutti cadaveri" – het zijn allemaal lijken.
262 doden, twaalf nationaliteiten
Onder de 262 doden waren mijnwerkers van twaalf verschillende nationaliteiten. 96 Belgen kwamen om, maar veruit de meeste slachtoffers waren Italianen. Zij waren als gastarbeider naar België gekomen via een bilateraal akkoord tussen beide landen. Na de Tweede Wereldoorlog was steenkool cruciaal voor de wederopbouw, maar het gevaarlijke en slecht betaalde werk stootte veel Belgen af. In ruil voor goedkope steenkool stuurde Italië duizenden arbeiders naar de Waalse en Limburgse mijnen.
Marcinelle werd een ijzingwekkende wake-upcall. De ramp leidde tot een fundamentele herziening van de veiligheidsvoorschriften in de mijnbouw, in België én in heel Europa. Ook markeerde de tragedie een keerpunt in de Belgische arbeidsmigratie. De kwetsbaarheid van de gastarbeiders werd pijnlijk blootgelegd en zou het beleid rond buitenlandse werkkrachten blijvend beïnvloeden.
UNESCO-erfgoed en een blijvende band
Vandaag is de voormalige mijnsite Le Bois du Cazier een museum. Het staat symbool voor de offers die in de diepten van de aarde werden gebracht. De jaarlijkse herdenking – en zeker deze zeventigste verjaardag – bevestigt de blijvende band tussen België en Italië, gesmeed in gedeeld verdriet en harde arbeid.
De toenmalige openbare omroep NIR deed destijds live verslag. De radioverslaggever beschreef de radeloosheid aan de oppervlakte: "Nog steeds wachten buiten de moeders, de kinders, de vaders, de verloofden, de vele familieleden van de jongens die zich in de diepte der aarde bevinden." Het zijn woorden die zeventig jaar later nog steeds resoneren bij nabestaanden en bij een land dat zijn industriële verleden koestert als een les voor de toekomst.