Zeven kinderen werden tussen 1992 en 2000 van Nepal naar Vlaanderen gehaald via de adoptiedienst Interadoptie. Het officiële verhaal: deze kinderen moesten gered worden van uitbuiting in de Nepalese tapijtenindustrie. Nieuw onderzoek laat zien dat dat verhaal niet klopte.
De onthullingen komen van Hari Prasad Sacré, onderzoeker én zelf een van de geadopteerde kinderen. Volgens apache.be noemt hij de term 'tapijkkinderen' een fabel. De kinderen kwamen niet uit fabrieken. Ze werden bewust losgekoppeld van hun biologische families.
Het bewijs zit hem in wat er achterbleef: broers en zussen van de geadopteerden bleven gewoon in Nepal. Weeskinderen die redding nodig hadden, waren het dus niet.
Documenten leggen de werkwijze bloot
Sacré baseert zijn conclusies op interne documenten: correspondentie en inspectieverslagen. Daaruit zou blijken dat Interadoptie bewust kinderen selecteerde die nog familiebanden hadden — in plaats van kinderen die werkelijk geen ouders meer hadden. De kinderarbeid-claim diende volgens de onderzoeker enkel als voorwendsel om de adopties mogelijk te maken.
Ook de overheid wist het
De adoptiedienst staat er niet alleen voor. In die periode was Kind en Gezin — het huidige agentschap Opgroeien — verantwoordelijk voor het toezicht op interlandelijke adopties. Volgens Sacré was die toezichthouder op de hoogte van de werkelijke gang van zaken bij Interadoptie. Toch greep de overheidsinstantie niet in.
De zaak past in een bredere discussie over historische misstanden in de Vlaamse adoptiesector. Er is op dit moment aanzienlijke kritiek op hoe de Vlaamse overheid dergelijke dossiers onderzoekt. De Nepalese adopties gelden als illustratie van hoe gebrek aan controle en systemische fouten tot menselijke tragedies leidden.
De onthullingen werpen een kritisch licht op de transparantie van vroegere adoptieprocedures — en op de verantwoordelijkheid van de staat om de rechten van biologische ouders en kinderen te beschermen.