Dit weekend openen het Jakob Smitsmuseum in Mol en het Emile Van Dorenmuseum in Genk een gezamenlijke tentoonstelling genaamd 'Gemaakt om geschilderd te worden'. De expo staat in het teken van de kunstenaarskolonies die in de 19e en 20e eeuw in de Kempen ontstonden, waarbij de focus ligt op de periode tussen 1840 en 1920.
Volgens berichtgeving van vrtnws.be trokken in deze periode zowel binnenlandse als buitenlandse schilders naar plaatsen als Mol, Genk, Kalmthout en Wechelderzande. Het doel van deze kunstenaars was om het ongerepte landschap, met name de moerassen, vennen en de heide, direct in de open lucht op doek vast te leggen.
Invloed van de School van Barbizon
De trek naar de Kempen was geen geïsoleerd fenomeen, maar werd sterk beïnvloed door de Franse School van Barbizon. Deze groep landschapsschilders werkte tussen 1830 en 1870 in de nabijheid van het bos van Fontainebleau. Curator Peter Konings legt uit dat deze beweging een grote impact had op kunstenaars die aan de academies van Brussel en Antwerpen studeerden.
De dynamiek van deze kolonies verschoof na verloop van tijd. Waar Kalmthout aanvankelijk een populaire bestemming was, zorgde de toenemende drukte ervoor dat kunstenaars uitweken naar andere locaties, zoals Wechelderzande. In Mol speelde schilder Jakob Smits een centrale rol; hij woonde van 1888 tot 1921 in Achterbos en trok daarmee diverse andere kunstenaars aan. Een praktische factor die bijdroeg aan de groei van deze 'kunstenaarsdorpen' was de goede bereikbaarheid per trein.
Omvang en details van de expo
De duotentoonstelling is verdeeld over twee locaties. In Mol worden 97 werken tentoongesteld, terwijl er in Genk 55 werken te zien zijn. Bezoekers kunnen de expo bewonderen tot en met 17 januari. Ter ondersteuning van de tentoonstelling is het boek 'De schilders van de Kempen' uitgebracht.
Hoewel er ook verslag is gewaagd in nieuwsblad.be, konden de specifieke details uit dat artikel niet volledig worden ontsloten vanwege technische beperkingen bij de bron.