NASA is erin geslaagd om de communicatie met de Voyager 1-ruimtesonde te herstellen na een korte onderbreking. Door middel van een technische ingreep, die de 'Big Bang' wordt genoemd, kon het ruimtevaartuig worden gered en een nieuwe mijlpaal bereiken.
De Voyager 1-sonde, die al sinds 1977 door het zonnestelsel reist, zorgde onlangs voor bezorgdheid bij de ingenieurs van het Jet Propulsion Laboratory (JPL) van NASA. Op 20 oktober viel de communicatie met het toestel volledig weg. Deze stilte duurde 48 uur, wat leidde tot een race tegen de klok om het contact met de verre sonde te herstellen. Volgens berichtgeving van universetoday.com is een innovatieve oplossing, de zogenaamde 'Big Bang'-fix, succesvol toegepast om het ruimtevaartuig weer operationeel te krijgen.
De technische details van de 'Big Bang'-fix
De 'Big Bang'-methode hield in dat drie specifieke componenten van het ruimtevaartuig werden vervangen door alternatieven met een lager energieverbruik. De ingenieurs wisselden twee primaire verwarmers en een oude digitale bandrecorder (een 8-track systeem) om voor drie secundaire opties die minder stroom vereisen.
Deze wisselingen moesten gelijktijdig plaatsvinden. Dit is cruciaal omdat de betreffende units niet alleen functionele taken uitvoeren, maar ook verantwoordelijk zijn voor het verwarmen van het toestel. Zonder deze warmte zou de sonde niet kunnen overleven in de extreme kou van de diepe ruimte. Kareem Badaruddin verklaarde in een persbericht dat dit de eerste keer is dat het ruimtevaartuig dergelijk gedrag vertoonde, maar voegde eraan toe dat men in deze fase van de missie rekening moet houden met het onverwachte, zoals vermeld door .
Een voortdurende strijd tegen energietekort
De noodzaak voor dergelijke ingrepen komt voort uit het feit dat de Voyager-missies kampen met een gestage afname van hun energievoorraad. De sondes maken gebruik van radio-isotopen-thermo-elektrische generatoren die op plutonium-238 werken. Omdat dit materiaal een halfwaardetijd van iets minder dan 88 jaar heeft, verliest de missie jaarlijks ongeveer 4 watt aan vermogen.
Op dit moment verbruikt Voyager 1 iets meer dan 200 watt, wat vergelijkbaar is met het energieverbruik van een elektrische warmtedeken. Dit energiegebrek dwingt de missiecontrole tot moeilijke keuzes. Zo werd begin 2026 besloten om het experiment voor laag-energetische geladen deeltjes (LECP) volledig uit te schakelen om stroom te besparen, aldus de details in het artikel van .
Historische context en de 'Grand Tour'
De Voyager-missies begonnen in 1977 met een ambitieuze 'Grand Tour' van het zonnestelsel. Hoewel Voyager 1 op 5 september 1977 werd gelanceerd, vertrok Voyager 2 technisch gezien eerder. Voyager 1 passeerde Jupiter in 1979 en Saturnus in 1980. Een specifiek bezoek aan de maan Titan op 12 november 1980 zorgde ervoor dat de sonde uit het vlak van het zonnestelsel werd gestuwd, wat de weg vrijmaakte voor de huidige reis door de interstellaire ruimte.
Voyager 2 volgde een ander pad en passeerde Uranus in 1986 en Neptunus in 1989. Beide sondes waren bij hun lancering uitgerust met tien verschillende instrumenten om data te verzamelen over de verre uithoeken van ons systeem.
De succesvolle toepassing van de 'Big Bang'-fix bij Voyager 1 is niet de eerste keer dat deze methode wordt ingezet. In augustus van dit jaar werd een soortgelijke procedure reeds succesvol uitgevoerd om Voyager 2 in functionerende staat te houden, zoals gerapporteerd door . Met deze herstelde communicatie kan Voyager 1 nu verder gaan in zijn historische reis, waarbij het de grens van één lichtdag afstand heeft overschreden.