Een Londense rechtbank heeft geoordeeld dat de huiszoekingsbevelen die werden ingezet tegen Andrew Mountbatten-Windsor, de voormalige prins Andrew, onwettig waren. De Britse politie heeft ingestemd met de vernietiging van deze bevelen nadat de wettigheid ervan door de betrokkene werd aangevochten.
De kwestie draait om acties die op 19 februari van dit jaar plaatsvonden. Op die dag doorzocht de politie van Thames Valley twee verschillende locaties: een woning in Sandringham in Oost-Engeland en een voormalige residentie in Windsor, ten westen van Londen. Deze huiszoekingen volgden op de arrestatie van Andrew, die werd aangehouden vanwege vermoedelijk wangedrag tijdens zijn periode in een publieke functie. Volgens berichtgeving van vrtnws.be heeft de rechtbank het verzoek van Andrew om de bevelen ongeldig te verklaren ingewilligd.
De politie van Thames Valley heeft de fout erkend. Een woordvoerder van het korps verklaarde dat de oorspronkelijke beslissing om de bevelen uit te vaardigen op basis van de gehanteerde wetgeving niet correct was, waardoor de documenten juridisch vernietigd moeten worden.
Status van het onderzoek
Ondanks de juridische vernietiging van de huiszoekingsbevelen, blijft het onderzoek naar de handelswijze van Andrew Mountbatten-Windsor van kracht. De politie benadrukt dat de lopende procedures niet worden gestaakt. Er is echter nu onduidelijkheid ontstaan over de status van het bewijsmateriaal dat tijdens de onwettige huiszoekingen is verzameld. De politie onderzoekt momenteel via juridische weg hoe dit materiaal beheerd moet worden en of het wettelijk behouden mag blijven voor het verdere onderzoek.
De advocaten van de voormalige prins zullen naar verwachting trachten om het in beslag genomen bewijsmateriaal uit een eventuele toekomstige strafzaak te laten schrappen.
Context en achtergrond
De arrestatie in februari markeerde een historisch dieptepunt voor de Britse monarchie; het was de eerste keer in 400 jaar dat een lid van de koninklijke familie werd gearresteerd. De huiszoekingen waren onder meer bedoeld om te onderzoeken of Andrew tussen 2001 en 2011 overheidsdocumenten had gedeeld met de Amerikaanse veroordeelde zedendelinquent Jeffrey Epstein. In die periode vervulde Andrew de functie van handelsvertegenwoordiger voor het Verenigd Koninkrijk.
Hoewel de vernietiging van de bevelen een juridische overwinning betekent, blijft de reputatieschade groot. De banden met Epstein blijven een zware belasting vormen voor het imago van de voormalige prins.