Wetenschappers proberen met hulp van een grote groep amateurastronomen de mysterieuze aanwezigheid van zwarte gaten in ons eigen sterrenstelsel in kaart te brengen. Hoewel theoretische modellen suggereren dat er honderden miljoenen van deze objecten in de Melkweg zouden moeten rondzweven, is er in de praktijk slechts een fractie hiervan aangetroffen. Volgens berichtgeving van universetoday.com zijn er tot op heden slechts 70 van deze objecten officieel geïdentificeerd.
De grote uitdaging bij het opsporen van deze objecten is hun fundamentele onzichtbaarheid. Omdat zwarte gaten alle vormen van licht absorberen, kunnen ze niet op de traditionele manier worden waargenomen. Ze worden pas detecteerbaar wanneer ze materie van een nabijgelegen ster of planeet opslokken, wat leidt tot de uitstoot van radiogolven of röntgenstraling. Wanneer een zwart gat echter solitair door de ruimte drijft, blijft het vrijwel ondetecteerbaar voor conventionele methoden, zoals beschreven door .
Om deze objecten toch te lokaliseren, maken astronomen gebruik van de zwaartekracht. Wanneer een zwart gat precies tussen de aarde en een verre ster door beweegt, buigt de massa van het zwarte gat het licht van die ster. Dit proces, bekend als 'microlensing', kan in sommige gevallen leiden tot de vorming van zogenaamde Einstein-ringen. Meestal is dit een eenmalig fenomeen, maar wanneer een zwart gat in een vaste baan rond een begeleidende ster draait zonder deze te consumeren, treedt er een periodiek effect op. Dit specifieke proces wordt aangeduid als 'gravitationele zelf-lensing'.
Vanwege de enorme hoeveelheid data die nodig is om dergelijke zeldzame patronen te herkennen, is het initiatief Black Hole Hunters gelanceerd via het platform Zooniverse. Dit project stelt tienduizenden burgerwetenschappers in staat om mee te werken aan de analyse van astronomische gegevens. Het project werd in 2021 gestart door Dr. Adam McMaster, die destijds verbonden was aan The Open University en inmiddels is overgestapt naar de University of Southampton, aldus .
In de beginfase van het onderzoek werd gebruikgemaakt van fotometrische data van de Super Wide Angle Search for Planets (SuperWASP). Deze grondgebonden waarnemingen bleken echter onvoldoende nauwkeurig door weersomstandigheden en aanzienlijke ruis in de data. Om de precisie van de zoektocht te verhogen, heeft Dr. McMaster de datastroom aangepast. Het project is inmiddels overgestapt op gegevens van de Transiting Exoplanet Survey Sate. Door deze satellietdata te analyseren, hopen de onderzoekers en vrijwilligers de kenmerkende signalen van gravitationele zelf-lensing effectiever te vinden en zo het aantal bekende zwarte gaten in de directe kosmische omgeving aanzienlijk te vergroten, zoals vermeld door .