In de buurt van de huidige stad Uppsala, ten noorden van Stockholm, hebben archeologen bewijzen gevonden voor een verrassend geavanceerd tijdmetingssysteem. Een vroege Germaanse cultuur, bestaande uit heidense polytheïsten die de voorlopers van goden als Thor en Odin vereerden, maakte gebruik van nauwkeurige astronomische observaties om hun religieuze activiteiten te plannen. Hoewel deze samenleving geen wetenschappers in de moderne zin was, beschikten zij over de kennis om de stand van de zon en de maan met grote precisie te bepalen.
De drijfveer achter deze precisie was volgens universetoday.com niet een theoretische interesse in de sterrenkunde, maar een diepgewortelde religieuze noodzaak. De Goten waren geobsedeerd door de correcte timing van het zogenaamde 'Grote Midwinteroffer'. Dit ritueel vond elke acht jaar plaats en omvatte een periode van negen dagen waarin zowel dieren als mensen werden geofferd. Men geloofde dat het niet correct uitvoeren van deze offers elke acht jaar zou kunnen leiden tot rampen in de daaropvolgende periode van acht jaar.
Om de startdatum van deze offers, die telkens tussen 6 en 8 februari viel, exact vast te stellen, hanteerden de Goten een complex systeem. Goran Henrickson, een astrofysicus en voormalig docent aan de Universiteit van Uppsala, heeft dit systeem geanalyseerd. Hij stelde in 2014 tijdens een bijeenkomst van de European Society for Astronomy in Culture dat de cyclus werd bepaald door de volle maan die viel tussen 28 januari en 26 februari (gebaseerd op de Gregoriaanse kalender). Zoals beschreven door , combineerden de Goten deze maanfasen met de positie van de zon om hun kalender te reguleren.
De fysieke bewijzen voor deze praktijken kwamen aan het licht tijdens opgravingen in 2013 en 2014. Hierbij werden twee lange rijen paalgaatjes ontdekt. Deze palen dienden als markeringen voor de noordelijke grens van het opkomen van de volle maan en gaven de richting aan van de zon op het moment dat een nieuwe offercyclus moest aanvangen. Volgens de berichtgeving van vormden deze structuren een essentieel onderdeel van hun astronomische instrumentarium.
Naast de houten palen lijken ook grafheuvels een rol te hebben gespeeld bij de tijdmeting. Er zijn drie 'koninklijke' grafheuvels geïdentificeerd die gedateerd worden tussen 450 en 550 n.Chr. Henrickson betoogt dat deze heuvels specifiek zo zijn georiënteerd dat ze konden helpen bij het reguleren van de offerkalender. Door historische data te koppelen aan berekeningen van volle manen, kon hij zelfs specifieke jaren van de achtjarige cyclus vaststellen, zoals een cyclus die begon in het jaar 852 n.Chr.
Deze ontdekkingen schetsen een intrigerend beeld van een cultuur waarin brute rituelen hand in hand gingen met een verfijnde observatie van de natuur. De precisie waarmee de oude Goten de hemelse sfeer bestudeerden om hun religieuze plichten te vervullen, bewijst dat zij een diepgaand begrip hadden van astronomische cycli, lang voordat er moderne meetinstrumenten bestonden. De combinatie van archeologische vondsten en astrofysische berekeningen, zoals gerapporteerd door , werpt een nieuw licht op de intellectuele capaciteiten van vroege Germaanse stammen in Scandinavië.