Een wetenschappelijke hypothese die een hoofdrol toekent aan schimmels in het evolutionaire succesverhaal van zoogdieren, staat opnieuw in de belangstelling. De theorie, die suggereert dat een door schimmels gedomineerde wereld na de asteroïde-inslag van 66 miljoen jaar geleden zoogdieren een cruciaal overlevingsvoordeel bood, blijft echter een bron van debat binnen de paleontologische gemeenschap.
De kern van de schimmelhypothese
De oorspronkelijke theorie werd in 2012 gelanceerd door microbioloog Arturo Casadevall in het tijdschrift PLOS Pathogens. Hij stelde dat de massale sterfte van planten en dieren na de Chicxulub-inslag leidde tot een explosie van schimmelgroei, aangezien deze organismen floreren op dood organisch materiaal. Het evolutionaire voordeel van zoogdieren zou volgens Casadevall schuilen in hun warmbloedigheid. Hun hoge lichaamstemperatuur vormde een natuurlijke barrière tegen vele schimmelinfecties, terwijl de koelbloedige reptielen, waaronder de dinosauriërs, veel vatbaarder zouden zijn geweest voor dergelijke ziekten. Deze selectiedruk zou een bepalende factor zijn geweest bij de selectieve overleving aan het einde van het Krijt, zoals uiteengezet in zijn publicatie plos.org.
Een bijgewerkte theorie en genomische inzichten
In 2020 bliezen Casadevall en co-auteur Chris Damman de hypothese nieuw leven in met een bijgewerkt artikel. Ze heroverwogen de oorspronkelijke ideeën in het licht van nieuwe inzichten en stelden dat schimmeldiversificatie een onderschatte selectiedruk kan zijn geweest tijdens de overgang van het Krijt naar het Paleogeen. Volgens hun herziene werk, dat eveneens in PLOS Pathogens verscheen, verdiende de rol van schimmelpathogenese in deze periode een grondigere heroverweging, zoals beschreven in researchgate.net.
Hoewel niet direct gekoppeld aan de extinctie van de dinosauriërs, biedt modern genomisch onderzoek context bij het aanpassingsvermogen van schimmels. Een grootschalige analyse van 304 schimmelgenomen, gepubliceerd in BMC Biology, identificeerde 188 nieuwe orthogroepen die verband houden met cruciale evolutionaire innovaties, zoals celwandvorming en hyfale groei. De onderzoekers ontdekten ook een wijdverspreide vernieuwing van mitochondriale eiwitten, wat wijst op een voorheen onderkende evolutionaire dynamiek. Dit onderzoek illustreert de fundamentele capaciteit van schimmels om zich aan te passen en nieuwe ecologische niches te veroveren, zoals gerapporteerd in springer.com.
Controverse en gebrek aan fossiel bewijs
De hernieuwde aandacht voor de hypothese, waarover recentelijk werd bericht door livescience.com, neemt niet weg dat de theorie omstreden blijft. Het grootste struikelblok is het gebrek aan direct paleontologisch bewijs. Fossielen van schimmels zijn uiterst zeldzaam, waardoor het vrijwel onmogelijk is om met zekerheid vast te stellen in welke mate ze de ecosystemen direct na de inslag domineerden. Critici wijzen erop dat de hypothese, hoe elegant ook, vooralsnog grotendeels speculatief blijft en concurreert met andere verklaringen voor de selectieve uitsterving. De wetenschappelijke discussie over de precieze rol van schimmels in dit kantelmoment in de evolutionaire geschiedenis is dan ook nog lang niet beslecht.